creator = Mark-Jan Nederhof
name = Nederhof
labelname = Ne
created = 2008-07-03
modified = 2014-01-19
version = 
scheme = 
language = nld
upload = 
email = 
password = 
hieroglyphic = ignored
transliteration = ignored
translation = shown
lexical = ignored

Dutch translation for The Shipwrecked Sailor, following the
transcription on pp. 41-48 of Blackman (1932). Blackman omitted
positions 77 and 110, which we determined by means of De Buck (1948),
pp. 100-106, and Golénischeff (1912), pp. 1-10.

For published translations in Dutch, see Zonhoven (1992), pp. 268-270.

###

A.M. Blackman. <i>Middle-Egyptian Stories -- Part I</i>. Fondation
Égyptologique Reine Élisabeth, Brussels, 1932.

A. De Buck. <i>Egyptian Readingbook</i>. Ares Publishers, Chicago,
Illinois, 1948.

M.W. Golénischeff. <i>Le Conte du Naufragé</i>. L'Institut Français
d'Archéologie Orientale, Le Caire, 1912.

L.M.J. Zonhoven. <i>Middel-Egyptische Grammatica: Een Praktische
Inleiding in de Egyptische Taal en het Hiërogliefenschrift</i>.
Leiden, 1992.

###

<1> Een bekwame volgeling zegt:

'Moge het u behagen,

graaf,

we zijn thuis aangekomen,

de sleg is genomen, <4> de meerpaal is ingeslagen,

en het meertouw is aan land geworpen,

lof is gebracht, en de god is bedankt,

elke man omarmt zijn maat,

<7> en onze bemanning is veilig teruggekeerd

zonder verlies aan de expeditie.

We hadden het einde van Wawat bereikt

en waren Biga gepasseerd,

en nu zijn we veilig teruggekeerd.

Ons land, we hebben het bereikt!

<12> Luister naar mij, graaf!

Ik ben vrij <13> van overdrijving.

Was uzelf! Giet <14> water over u vingers!

Dan kunt u antwoorden <15> als u wordt aangesproken,

en spreken tot <16> de koning met zelfbeheersing,

en antwoorden zonder te stamelen!

De rede van een man <18> redt hem,

zijn spreekvaardigheid verleent hem inschikkelijkheid.

<20> Doe zoals u wilt,

het is vermoeiend tot u te spreken.

Ik zal u over iets soortgelijks vertellen, dat mijzelf is overkomen.

Ik was vertrokken naar de mijnstreek van de vorst

en was naar zee gegaan

in een boot <26> van 120 el lang

en 40 el breed,

met 120 zeelieden <28> uit de keur van Egypte.

Of ze naar de lucht keken of naar het land keken,

ze waren dapperder dan leeuwen.

Ze konden een storm voorspellen voordat hij gekomen was

en een onweersbui voordat het had plaatsgevonden.

Een storm stak op <33> terwijl we op zee waren,

voordat <34> we het land bereikt hadden.

De wind verhief zich <35> keer op keer,

en een golf <36> ermee van 8 el.

Het was een balk die haar voor me brak.

Toen is de boot gezonken,

en van hen die erin waren bleef er geen een over.

Toen werd ik op een eiland geworpen

door een golf van de zee.

Ik bracht drie dagen alleen door,

<42> met mijn hart als mijn gezel,

en ik sliep in een schuilplaats <44> van hout,

de schaduws omarmend.

Toen strekte ik mijn benen

om te verkennen wat ik in mijn mond zou kunnen steken.

<47> Ik vond er vijgen en druiven,

en allerlei kostelijke groenten,

<49> er waren zowel onrijpe sycomoorvijgen als rijpe,

<50> en meloen alsof het gekweekt was,

er waren vissen en ook vogels,

er was niets dat daar niet was.

Toen <53> verzadigde ik mij,

en liet nog op de grond vallen <54> vanwege het vele op mijn armen.

Ik nam een vuurboor, <55> maakte vuur,

en bracht <56> een brandoffer voor de goden.

Toen hoorde ik <57> donder.

Ik dacht dat het een golf van de zee was,

bomen braken, <60> de aarde beefde.

Toen ik mijn gezicht ontbloot had,

vond ik dat het een slang was die naderde.

Hij mat <63> 30 el,

zijn baard van groter <64> dan 2 el,

zijn huid was verguld,

zijn wenkbrauwen waren van echt lapis lazuli.

Hij had zich opgericht.

<67> Hij opende zijn mond tegen mij,

terwijl ik <68> op mijn buik voor hem lag.

<69> Hij zei tegen me:

&quot;Wie heeft je gebracht, wie heeft je gebracht, jongeman?

<70> Wie heeft je gebracht?

Als je aarzelt me te vertellen wie jou naar dit eiland heeft gebracht,

<72> dan zal ik zorgen dat je je als as terugkent,

<73> veranderd in iets dat niet gezien kan worden.&quot;

&quot;U spreekt tot mij,

maar ik hoort het niet.

Ik ben voor u <76> en herken mezelf niet.&quot;

Toen deed hij mij <77> in zijn mond,

nam me naar de plek waar hij woonde,

en zette me neer zonder me te kwetsen.

Ik was ongedeerd, en werd niet gedwongen.

<81> Hij opende zijn mond tegen mij,

terwijl ik <82> op mijn buik voor hem lag.

<83> Toen zei hij tegen me:

&quot;Wie heeft je gebracht, wie heeft je gebracht, <84> jongeman?

Wie heeft je naar dit eiland in de zee gebracht,

met water aan alle kanten?&quot;

Toen antwoordde ik <87> hem dit,

met mijn armen gebogen <88> voor hem,

ik zei tegen hem:

<89> &quot;Het was zo dat ik vertrokken was

<90> naar de mijnstreek in opdracht <91> van de vorst

in een boot van <92> 120 el lang

en 40 el breed,

met 120 zeelieden <94> uit de keur van Egypte.

<95> Of ze naar de lucht keken of naar het land keken,

<96> ze waren dapperder dan leeuwen.

Ze konden een storm voorspellen <98> voordat hij gekomen was

en een onweersbui voordat het had plaatsgevonden.

<99> Ieder van hen was nog dapperder <100> en sterker

dan de ander.

Er was geen <101> dwaas onder hen.

Een storm <102> stak op terwijl we op zee waren,

<103> voordat we het land bereikt hadden.

De wind verhief zich keer op keer,

en een golf <105> ermee van 8 el.

Het was een balk die haar voor me brak.

Toen is de boot gezonken,

<107> en van hen die erin waren bleef er geen een over <108> behalve
ik,

die hier is bij u.

<109> Toen werd ik naar dit eiland gebracht

<110> door een golf van de zee.&quot;

<111> Toen zei hij tegen me:

&quot;Ben niet bang, ben niet bang, <112> jongeman!

Word niet bleek,

<113> want je hebt mij bereikt.

Kijk, de god heeft gezorgd <114> dat je nog leeft

en heeft je naar dit zieleneiland gebracht.

<115> Er is niets dat er niet is

<116> en het is gevuld met allerlei goede dingen.

<117> Je zult maand na maand doorbrengen

totdat je vier maanden op dit eiland hebt doorgebracht.

Dan <120> zal er een boot van thuis komen

<121> met zeelieden die je kent,

<122> en je zult met ze naar huis gaan

<123> en in je stad sterven.

<124> Hoe gelukkig is hij die kan vertellen wat hij heeft meegemaakt,

wanneer iets ellendigs voorbij is.

<125> Ik zal je iets soortgelijks vertellen,

dat op dit eiland gebeurd is,

<126> waar ik met mijn verwanten was,

waaronder kinderen.

We waren samen 75 slangen met <128> mijn kinderen en mijn verwanten.

Ik zal je niet vertellen over <129> de jongste dochter,

die ik door gebeden verkregen had.

Toen viel er een ster,

en zij gingen daardoor in vlammen op.

Het gebeurde toen ik er niet was --

<131> verbrand toen ik niet bij hen was!

Toen bestierf ik vanwege hen,

toen ik hen als één lijkenhoop vond.

Als je dapper bent, ben vastberaden,

<133> en je zal je kinderen in je armen sluiten,

je vrouw kussen,

en je huis terugzien.

Dat is beter dan wat dan ook.

<135> Je zult thuis aankomen en er blijven

<136> bij je verwanten.&quot;

Ik lag <137> uitgestrekt op mijn buik,

en betastte <138> de grond voor hem.

Ik zei tegen hem:

<139> &quot;Ik zal de vorst over uw macht vertellen,

ik zal hem bewust maken <140> van uw grootheid,

ik zal u ladanum, malabathrum, terebinth, balsem, en bewerkte wierook
laten brengen,

<142> waarover elke god verheugd zou zijn.

Ik zal vertellen wat er gebeurd is <143> met mij,

wat ik van uw macht gezien heb.

Men zal de god voor u bedanken

<144> in de stad, ten overstaan van de raad van het gehele land.

Ik zal voor u stieren slachten voor een brandoffer,

en ik zal vogels voor u kelen.

Ik zal u boten laten brengen,

die beladen zijn <147> met allerlei kostbaarheden uit Egypte,

zoals gedaan wordt voor een god die de mensheid liefheeft,

in een ver land dat mensen niet kennen.&quot;

<149> Toen lachte hij mij uit,

en dat wat ik gezegd had,

wat verkeerd was naar zijn mening.

<150> Hij zei tegen mij:

&quot;Ze hebt niet veel mirre,

of enig soort wierook.

<151> Maar ik ben de heerser van Poent,

en ik bezit mirre.

<152> Dat malabathrum waarvan je zei dat het gebracht zou worden,

een grote hoeveelheid daarvan is van dit eiland.

<153> Zodra het gebeurt dat je je van deze plaats hebt verwijderd,

zal je dit eiland nooit meer terugzien,

en zal het in water veranderen.&quot;

Toen is die boot gekomen,

zoals hij van te voren had voorspeld.

Toen ging ik

<156> en zette mezelf in een hoge boom

en herkende ik hen die aan boord waren.

<157> Toen ging ik dit melden

en merkte dat hij het al wist.

<158> Toen zei hij tegen mij:

&quot;Vaarwel, vaarwel, jongeman,

naar je huis, en zie je kinderen terug!

Laat mij een goede naam in je stad hebben.

Dit is wat ik van je verlang.&quot;

<161> Toen legde ik mezelf op mijn buik,

met mijn armen gebogen voor hem.

<162> Toen gaf hij mij een lading

van mirre, malabathrum,

terebinth, <163> balsem, kamfer,

<al>SAasx</al>-planten, zwarte oogschmink,

giraffestaarten,

een grote klomp wierook,

olifantstanden,

honden, meerkatten, apen,

en allerlei kostbaarheden.

<166> Toen laadde ik dit in de boot,

en het gebeurde dat ik mij op mijn buik legde

<167> om de god voor hem te bedanken.

Toen zei hij tegen mij:

&quot;Je zult thuis aankomen <168> over twee maanden,

je zult je kinderen in je armen sluiten,

je zult thuis weer jong worden,

en je zult begraven worden.&quot;

Toen daalde ik af naar de oever <170> bij deze boot.

Toen riep ik de expeditie <171> die in de boot was.

Op de oever bracht ik lof aan de heer van dit eiland,

<172> en zij die aan boord waren deden hetzelfde.

Toen voeren we noordwaarts

<173> naar de residentie van de vorst,

en bereikten de residentie <174> na twee maanden,

in overeenstemming met alles wat hij gezegd had.

Toen trad ik binnen bij de vorst,

<175> en bracht hem dit tribuut

dat ik van dit eiland had meegebracht.

<176> Toen bedankte hij de god voor me,

ten overstaan van de raad van het gehele land.

<177> Toen werd ik aangesteld tot volgeling

<178> en werd ik begiftigd met <179> zijn mensen.

Zie dat ik het land bereikt heb,

nadat ik aanschouwd heb wat ik heb meegemaakt.

Luister naar mijn rede,

omdat het goed is naar mensen te luisteren!'

<183> Toen zei hij tegen mij:

'Doe niet zo snugger, <184> vriend!

Wie zou een gans water geven

wanneer de dag aanbreekt dat hij 's ochtends geslacht wordt?'

Dit is overgeschreven van begin <187> tot einde

zoals het geschreven gevonden is,

<188> geschreven door een schrijver met bekwame vingers,

<189> Ameny zoon van Amenyaa (l.v.g.!).
